Eicha Museum 40 jaar

Dit voorjaar (2017) is het veertig jaar geleden dat het Eicha Museum, het archeologisch streekmuseum voor de Brabantse Kempen werd opgericht. In het weekend van 20 en 21 mei van dit jaar zal het achtste lustrum van deze archeologische schatkamer, gevestigd in het Ontmoetingscentrum Teutenhuis aan de Domineestraat in Bergeijk, extra onder de aandacht worden gebracht. In het kader van deze herdenking zult u de komende maanden in dit weekblad een aantal artikelen aantreffen, zodat we deze week starten met een terugblik op het ontstaan.

De wens om in Bergeijk een museum te hebben was geen bevlieging van een paar zonderlingen. Als zodanig stond (school-)meester Peter Norbertus Panken (1819-1904), pionier van de Brabantse archeologie in de negentiende eeuw bekend. En omdat niemand begreep dat de bodemschatten het geheugen zijn van de vroegere generaties, kwamen ze in zijn tijd terecht in de grote musea van Den Bosch, Brussel, Leiden en Turnhout.
De ontdekking van een vroegmiddeleeuws grafveld (550-750) aan de Fazantlaan zal er ongetwijfeld toe hebben bijgedragen dat in de voorbereidingscommissie van het Gemeenschapswerk een oudheidkamer of museum voor Bergeijk al meermalen ter sprake kwam. Toen de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in de jaren 1957-1961 genoemd Merovingisch grafveld, enkele grafheuvels bij de Hooge Berkt en op de Bergerheide kwam opgraven, werd de roep naar een museum hoogst actueel. Vooral door de ontdekking in 1964 van een Romeinse nederzetting nabij de Boevenheuvel, op de driesprong Bergeijk-Riethoven-Eersel, liet het verlangen naar een museum ons niet meer los. De vraag was alleen: waar blijven we met de waardevolle vondsten die daar zomaar voor het oprapen lagen. Voorlopig (1964-1970) werden ze opgeborgen in een zolderkamertje in het Gemeenschapshuis aan de Meester Pankenstraat nr. 12. Ze verhuisden begin 1971 mee naar een van de brand- en inbraakvrije kelders onder het toenmalige Cultureel Centrum ’t Hof aan de Eerselsedijk, voorloper van De Kattendans.

Stichting Eicha
De collectie breidde zich al maar uit en bereikte ook een zodanige kwaliteit dat er door menig archeoloog werd aangedrongen om de plannen voor het museum in daden om te zetten. Het bestuur van de Stichting Gemeenschapswerk stelde daarvoor een tweede kelderruimte ter beschikking die door het Ministerie van CRM bij de bouw extra was goedgekeurd. Een kerngroep van belangstellenden die actief bij de verzameling betrokken was nam het initiatief om de Stichting Eicha in het leven te roepen. Dr. B.de Nooijer – toen directeur van Weverij De Ploeg – werd de eerste voorzitter; Pierre Schoone, secretaris; Ir. Daniel Vangheluwe penningmeester; Theo Duffhues – destijds gemeentesecretaris – vertegenwoordigde het gemeentebestuur; Dr. Peer Meurkens, antropoloog en Panken-kenner; Prof. Dr. Frans Theuws, archeoloog/historicus; Drs. Roger Knaepen historicus waren met ondergetekende de overige bestuursleden.

Bij het opstellen van de statuten werd gekozen voor een bredere doelstelling, en wel alles tot haar activiteiten te rekenen wat betrekking had op het verleden van het werkgebied. Met dat laatste werd globaal bedoeld het territorium tussen de Dommel en de Run. Met andere woorden: de parochies die in de Middeleeuwen onder het gezag stonden van de moederkerk op ’t Hof: Bergeijk, Borkel, Dommelen, Luyksgestel, Riethoven en Westerhoven.
Op 11 oktober 1976 zette de notaris zijn handtekening onder de statuten. Rechtspersoonlijkheid was immers een van de voorwaarden om in aanmerking te komen van subsidies. Om de nodige vitrines te kunnen aanschaffen was er al een subsidieverzoek gericht aan het gemeentebestuur van Bergeijk. Hoewel de gemeenteraad unaniem positief stond tegenover de plannen, werd de behandeling van het agendapunt in de raadsvergadering van 25 mei 1976 even aangehouden. De vraag was of de Stichting Eicha ook andere particuliere collecties die her en der bewaard werden in het museum kon wen wilde onderbrengen. Men zag het liefst een zo breed mogelijke basis van meet af aan. En misschien was dat een stimulans om hun verzameling in het museum een meer geëigende plaats te geven. Van die bereidheid hadden we ons tevoren al overtuigd en met dat gegeven stelde de raad op 24 juni een startsubsidie van ƒ 13.000 beschikbaar.
Met Gerrit Beex, de provinciale archeoloog als adviseur, begonnen we na de vakantieperiode met de inrichting. Burgemeester Schaepman die het initiatief voortdurend had gestimuleerd, had de eer om op 11 februari 1977 het Eicha Museum voor geopend te verklaren. Ofschoon de ruimte beperkt was werd er toch wel een overzicht getoond vanaf de rendierjagers tot en met de Late Middeleeuwen ofwel een periode van om en om twaalfduizend jaar. Vanwege de educatieve en toeristische betekenis vonden al spoedig scholen en toeristen de weg naar het museum, maar niet in de laatste plaats ook de wereld van de wetenschap.
Een bezoek van archeoloog Jan Slofstra, verbonden aan het Archeologisch Instituut van de Vrije Universiteit in Amsterdam, had tot gevolg dat hij het startsein gaf voor een uitgebreide veldverkenning. Gedurende de jaren 1974-1979 kwam hij elk voor- en najaar met een aantal studenten naar Bergeijk. Als logies dienden de vrije ruimten van Cultureel Centrum ’t Hof. Aanvankelijk rondom Bergeijk en Riethoven, later ook in andere gemeenten van de Kempen, werden alle akkers systematisch onder de loep genomen. Alles wat er aan scherven te vinden was werd opgeraapt en in kaart gebracht. Het doel daarvan was uiteindelijk een studie van de plaats en ontwikkeling van de oorspronkelijke nederzettingen.
Wat aldus begon zou in de jaren tachtig gevolgd worden door grootschalig archeologisch onderzoek. Om de verschillende perioden systematisch en effectief te kunnen aanpakken kwam ook het Instituut voor Pre- en Protohistorie van de Universiteit van Amsterdam in actie. Het eerstgenoemde ging zich oriënteren op de prehistorie en Romeinse tijd, het tweede – waaraan Frans Theuws toen als archeoloog verbonden was – op de Middeleeuwen. In samenwerking met de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort zou deze aanpak bekend worden als het Kempenproject. Het Eicha Museum was hiervan niet alleen de uitvalsbasis maar in feite ook de bakermat.
Het archeologisch onderzoek kreeg een extra steun in de rug door het historisch-geografisch onderzoek waarmee de Stichting Eicha al baanbrekend werk had verricht. Om de bodemvondsten beter te begrijpen ging de kerngroep van Eicha op zoek naar bekende en onbekende historische bronnen. Met door zelf ontwikkelde methoden werden de verzamelde gegevens in kaart en met elkaar in verband gebracht. Zo ontspon zich vanzelf een vruchtbare samenwerking met wetenschappelijke instellingen. Met hun achterban van studenten werden nieuwe terreinen ontgonnen. Het resultaat van studie werd vastgelegd in scripties en publicaties. Nieuwe inzichten gaven een betere kijk op de historie van het werkgebied.

Johan Biemans, conservator